Ik ben in het veld samen met een collega, in een nieuwe omgeving, waar we een tweede kliniek willen runnen. De week ervoor zijn we vanuit Pamat hier naar toe gereden, een 6 uur durende rit over hobbelige en stoffige wegen. Na een intensieve week vlieg ik op donderdag terug naar Juba. Woensdagavond print ik mijn ticket. Het vliegtuig vertrekt om 14.50. Om 12.50 moeten we inchecken. Zoals al onze vluchten, vlieg ik ook dit keer met een vliegtuig van WFP, wereld voedsel programma. Ik word met de Jeep naar de luchthaven gebracht. Maar luchthaven is in dit geval een veel te groot woord. In 'the middle of nowhere' is een landingsbaan van aarde. Onder de schaduw van een boompje parkeert de chauffeur de jeep. Onder een andere boom staan nog twee jeeps, met passagiers.
Het is warm en stoffig. Over de
landingsbaan wandelen geiten. Naast de landingsbaan spelen kinderen. De
kinderen hebben geen last van de hitte. Ze spelen met hun vrachtwagens, gemaakt
van plastic waterflessen, de wielen van doppen. De plastic fles is aan de
bovenkant opengesneden, en moet een echte klep voorstellen. Ze vullen hun
vrachtwagens met zand. Met de gevulde vrachtwagen aan een touwtje, rennen ze
door de hitte, legen hun vrachtwagen bij een groepje jongens, om vervolgens met
de lege vrachtwagen terug te rennen en hun vrachtwagens opnieuw te vullen.
Andere kinderen komen gezellig bij ons staan om ons te bekijken.
Wij staan loom te wachten in de hitte en
drinken water van 40 graden. Twee uur wachten in 'the middle of nowhere', en er is
niemand bij wie we in kunnen checken.
Na een uur komt er een jeep aanrijden,
een meneer vraagt naar onze tickets, en kruist ons af op een lijst. Bagage
wordt niet gewogen of gecontroleerd. Het is warm, we hebben dorst en het warme
water is niet echt lekker. We hebben al ingecheckt, maar besluiten met de jeep
naar het dorp te rijden, op zoek naar cola en koud water. Het voelt verfrissend
als ik 15 minuten later, prikkelende cola, van 20 graden, in plaats van 40
graden, over mijn tong naar binnen voel glijden.
Bij de landingsbaan maken we kinderen
blij met de lege flessen.
Dan wordt het vliegtuig gespot en ineens
is er actie. De chauffeur zegt
dat we nu in de jeep moeten gaan zitten. De jeeps van de verschillende
organisaties met hun passagiers crossen ineens langs en over de landingsbaan, en
gaan op strategische punten staan. Wat blijkt, ze zorgen met elkaar dat de
landingsbaan vrij is van kinderen en geiten.
De kinderen stoppen met spelen, het
landende vliegtuigje wordt bewonderd door de vele kinderogen. Twee of drie keer
per week komt hier een vliegtuig. De jeep brengt ons naar het vliegtuigje en
wij stappen in, terwijl de kinderen het vliegtuigje bewonderen.
Vijf minuten later vertrekken we met zes
passagiers aan boord. Ik kijk naar beneden terwijl we opstijgen, en zie daar de
jeeps weer staan op strategische plekken. We zijn op weg naar een groter
vliegveld waar we over moeten stappen.


